Ik las met ons oudste vandaag een boek. Een zielig boek over een hond die door het lot eenzaam werd.
Dochter en ik zitten op dezelfde golflengte. Het greep ons alletwee aan. Zo mooi was het. De verwoording was zo echt dat ieder zich daar ook wel eens in herkent.
Enkele fragmenten:
De mensen lopen voorbij… Een mooie meid met… Wat een schatje… Omdat ze mooi is. En ik blijf achter.
Ik ben geen schoonheid.
Het is om te huilen. Ik sloof me uit. Hihihi, dat wordt wat met dat schatje. Weet je wat het is ? Ik ben niet meer zo jong. Ik ben geen schoonheid. De mensen zeggen… Dat doet pijn.
… mij kiezen ze dus nooit. Misschien moet ik eens naar de kapper ?
Te oud.
Ik voel me rot. Hier komen heel wat mensen. Maar geen mens wil me. Ik voel me rot. Zo rot. Ik krijg geen hap door mijn keel. Ik heb er geen zin meer in.
Stomme wereld
Daar komt weer iemand. De pot op. Ik doe niet langer mijn best. Nu niet meer. En nooit meer. Ze hoeven me toch niet. Voor mij hoeft het niet meer. Stomme wereld.
Lekker zielig
Ik word mager. Mager omdat ik niet meer eet. Er zitten rimpels in mijn hoofd. Lekker zielig.
Hihi wijs toch, hoe je zo’n woorden/zinnen die je uit de context trekt, een andere betekenis krijgen ? Het zou over ik weet niet wat allemaal kunnen gaan maar gaat over Leeuw, de hond.
Maar in mijn context noemt ik het plank van 26. Want ook in een gezin van 5 kan een mens zich al eens oud, rot en zielig voelen…
En dan krijg je humeurschommelingen. Maar geen mens die dat begrijpt, behalve m’n dochter van 8 jaar ! Ze begrijpt me, ik voel het zonder woorden in haar blik en aan haar lichaamstaal, en dat doet deugd. Hoe ze door een simpel boekje de dingen des levens leert. We zijn maatjes, échte zielsverwantjes tot spijt van wie het ons benijdt.
